Schrijf je in voor de nieuwsbrief:
Kijk, het zit zo
In ‘Kijk, het zit zo’ vind je teksten en filmpjes. Over grote en kleine onderwerpen. Een beetje wat ik in het veld tegenkom of zelf meemaak. Wat me opvalt, verrast, verbaast. Spontaan, impulsief, ongestructureerd. Dan weet je het vast.
Ik leg
het
nog 1
keer
uit!
Bestellen?
Ik leg
het
nog 1
keer
uit!
Kijk, het zit zo
In ‘Kijk, het zit zo’ vind je teksten en filmpjes. Over grote en kleine onderwerpen. Een beetje wat ik in het veld tegenkom of zelf meemaak. Wat me opvalt, verrast, verbaast. Spontaan, impulsief, ongestructureerd. Dan weet je het vast.
FALEN IN POSITIEF ZIJN

Positief zijn is prima. Gewoon lekker opgeruimd zijn, niet meteen somber worden als het tegenzit. Een bepaald soort redelijk optimisme. Alleen ben je dat niet altijd. Altijd positief zijn is niet onze standaard. Negativiteit trekt harder aan ons, misschien wel om biologische redenen. Positief zijn is niet onze eerste natuur. Hebben we er gewoon niet altijd zin in. Is het gewoon ook weleens fijn om er de pest in te hebben. En lekker bij de pakken neer te zitten. Te zwelgen, ook zo’n fijn woord.

Positief zijn, het wordt steeds meer dwingender. Er is positieve psychologie, er zijn geluksprofessoren, cursussen positief denken, maak je mooiste leven, 365 dagen succesvol en veel meer van dat soort stuff. Mooi, succesvol, blij en gelukkig zijn is de nieuwe norm, zo lijkt het. Maar dat is het niet. Dit wel pretenderen of suggereren is vals en zelfs onmenselijk. Want als je faalt in dit positief zijn, in dit gelukkig zijn, dan word je twee keer getroffen: je bent ongelukkig en misschien zelfs negatief en je bent ook nog eens mislukt in positief en gelukkig zijn zijn. Je doet niet meer mee in de wereld van fijne positieve, blije, gelukkige mensen. Tabee.

We zijn bang voor nare gevoelens. Ze moeten snel weg, want ze leiden van kwaad tot erger, denken we.

Kijk, als iets gewoon positief is, is er weinig aan de hand. Dan is positief zijn ook niet moeilijk natuurlijk. Het gaat juist om de negatieve zaken. De gedachten, gebeurtenissen en gevoelens die er kunnen zijn en waarvan je in mineur raakt. “Niet zo somber, zie the bright side, het glas is halfvol, wees eens wat positiever” en met meer van dit soort gemeenplaatsen word je doodgegooid. Wees flink, vecht er eens tegen. Maar flink zijn en er tegen vechten is misschien helemaal niet zo’n goede oplossing. Misschien is het niet bevechten, maar het wel doorvoelen veel beter. Zo van, “dit is gewoon zwaar naatje, laten we eens zien hoe dat echt voelt”. In plaats van een hoop positiviteit er in te gooien, of alcohol of andere manieren om het nare gevoel te dempen of te vermijden.

We zijn bang voor nare gevoelens. Ze moeten snel weg, want ze leiden van kwaad tot erger, denken we. Op zich is er eigenlijk helemaal niets mis met negatieve gevoelens. Negatieve gevoelens vertellen je wat je nodig hebt: verbinding, hulp, warmte, genegenheid, gezamenlijkheid, bescherming, aansluiting. Negatieve gevoelens maken je wakker, kunnen je in beweging zetten en spreken je creativiteit aan, om te krijgen wat je nodig hebt.

Dus probeer negatieve gevoelens niet meteen weg te frommelen of te begraven onder allerlei doekjes voor het bloeden, maar laat ze er even zijn. Een half uur, een uur, een middag, een dag. En kijk dan rustig wat er gebeurt. Mijn ervaring is dat ze meestal in heftigheid wat afnemen. Je wordt wat rustiger. Maar dat niet alleen: in de ruimte die ontstaat, omdat je niet volop in allerlei afleidingen verstrikt raakt, komt, soms helemaal vanzelf, te voorschijn wat je te doen staat. Waar je je wel mee bezig zou moeten houden. Wat goed voor je is.

Wel, het is even wennen en er vertrouwen in krijgen: door even heel bewust en aandachtig niets te doen, ga je zien wat er te doen is.

VANGNET VOOR MOEILIJKE TIJDEN

Wat is het tegenovergestelde van in de steek gelaten worden? Dat je wordt vastgehouden. Dat je er niet alleen voor staat. Iemand je wil hebben. Je erbij hoort. Je je geborgen voelt. En veilig. Verbonden. Als je iemand nodig hebt, deze er ook is. Maar hoe zeker ben je daarvan? Hoeveel vertrouwen heb je daarin? En waar hangt dat vertrouwen van af?

Veel van het vertrouwen dat je vandaag de dag hebt, hangt af van het vertrouwen dat je in je jonge jaren hebt opgebouwd. Met name als je als kind voor koestering, bescherming, troost en steun terecht kon bij je ouders, je familie, je onderwijzers of coaches van de sport of zangvereniging. Als dat zo was dan ervaar je dat vertrouwen later ook makkelijker. Bij je partner, je familie, je collega’s, je vrienden.

Maar werkte dat bij jouw ouders niet zo, in ieder geval bij de mijne niet, dan vertrouw je het later niet meer zo erg en durft je de hechting en verbinding nauwelijks aan. Slechte hechting vroeger is onveilig gevoel later. Vervelend want je wilt juist graag hechten en verbinden.Het zit als het ware van nature in ons. Het gaat alleen zo moeilijk, het voelt niet veilig. Als je dit bij jezelf constateert is er werk aan de winkel. Vooral voor je zelf, met mooie gevolgen voor je relaties. Het onderkennen ervan is de allereerste grote stap.

Je wilt graag hechten en verbinden, maar je kan het maar moeilijk.  Het onderkennen ervan is de allereerste grote stap.

Zo klinkt het vervolg: “Lieve schat, ik ben vroeger slecht gehecht, daardoor heb ik nu een gebrek aan vertrouwen en voel ik mij onveilig in een relatie. Dat komt niet door jou, het zit in mij. Het maakt ook dat we weleens schermutselingen in onze relatie hebben, waardoor onze verbinding, ons contact afneemt. Daardoor kan het ook onveilig voor jou worden. Dat wil ik niet. En dus ga ik er wat aan doen.”

Wat kan je er aan doen? Praten, je gevoelens uitleggen, je gevoelens delen. Verbinding maken, hoe moeilijk soms ook. Elkaar aanraken. In de ogen kijken. Rust te vinden. Dit een beetje oefenen met kleine stapjes. Het blijft echter best lastig. Het lukt niet altijd. Als het ondanks alle goede pogingen dan toch niet lukt omdat je het te eng vindt en geblokkeerd raakt, dan is het toch echt het beste om er hulp bij te zoeken. Onveilige hechting is een zeer veel voorkomend verschijnsel en de meeste therapeuten weten er wel raad mee. En weet, met het onderkennen van de problematiek is er al een enorme prestatie geleverd.

De kans is groot dat je in je relatie allebei onveilig gehecht bent. Komt zeer vaak voor. Het lijkt zelfs wel of je elkaar daarop uitzoekt, iets in elkaar herkent. Of de duvel ermee speelt. Dan is het vaak het ene moment top het andere moment zwaar naadje. De hemel of hel. Daar is het lastiger uit te komen. En dan ga je dus gewoon allebei, los of samen, naar de therapeut. Meestal is het niet zo dat je niet bij elkaar past, maar dat je je niet veilig voelt. En dat zit voornamelijk in jezelf. Als je dat kan oplossen krijg je ook nog een bonus: niet alleen voel je je bij elkaar veiliger. Je voelt je ook veiliger op je werk, bij je vrienden, bij je kinderen. Door die veiligheid ga je met vertrouwen het contact tegemoet.

Je maakt dan je leven niet alleen veel fijner, maar je creëert ook nog eens een vangnet voor moeilijkere tijden. De relaties zijn steviger, vertrouwder, je kan er op terugvallen. Niet stom voor een tijd waarin de wereld groter, chaotischer wordt en waarin je het zelf maar moet redden. Zie dat niet als egoïstisch of hebberig. Iedereen heeft het nodig. Je doet het ook nog voor elkaar. Hoe mooi is dat.

KOM OP, JE KAN HET!

Je kent dat wel, je loopt ergens enorm tegen op (of om heen), je weet dat je wat moet gaan doen, maar je doet het niet. Misschien niet eens omdat je het niet kan, dat valt allemaal nog te bezien, maar omdat je het niet wil, er gewoonweg tegen op ziet, weerstand hebt, je er niet toe kan zetten.

Als je dat rondbazuint krijg je allerlei vermoeiende adviezen: “Joh, kom op, je kan het. Willen is kunnen. Kan je het niet of wil je het niet? Gewoon even aanpakken. Even de stap maken.” Voor je het weet heb je een groot aantal coaches aan je broek hangen, die komen om je te motiveren. En die, on top of that, ook nog teleurgesteld zijn als hen dat niet lukt. Worden ze ook nog boos. “Nou dan moet je het zelf weten. Ik was er tegenaan gegaan als ik jou was. En nu? Wat ga je nu dan doen, jij!?” Voor je het weet heb je er een tweede probleem bij. De eerste waar je tegen op loopt en de tweede: men vindt je een slappe zak. Dus beter mondje dicht.

Er komen steeds meer aanwijzingen dat motiveren niet altijd helpt. Een kleine peptalk in de rust heeft soms wat effect. Vraag de meeste voetballers maar, meestal luisteren ze er niet eens naar. Wat je hoort is het onvermogen van de coach dat door de kleedkamer galmt. Een klein duwtje in de rug kan helpen, maar allen bij iemand die al voor 80% de beslissing genomen heeft iets te gaan doen. En daarmee hebben we de meeste motiverende mogelijkheden ook wel gehad.

Voor je het weet heb je er een tweede probleem bij. De eerste waar je tegen op loopt en de tweede: men vindt je een slappe zak. Dus beter mondje dicht.

Nee, positief denken en motiverende woorden is niet altijd het antwoord als je ergens niet toe komt. Zelfs als je het van jezelf moet (moeten, kent u die uitdrukking?), laat staan van anderen, het hele lichaam in een enorme NEE, IK WIL NIET stand schiet.

Goed, sommige mensen, een paar maar, wordt geboren (of gemaakt, daar is de wetenschap nog niet uit) met wilskracht en doorzettingsvermogen. Dat is natuurlijk best fijn. En het voorkomt het geleuter van ‘Kom op, je kan het!’

Maar wat te doen als je deze eigenschappen niet of niet in voldoende mate hebt? Ben je dan bij voorbaat kansloos verloren? Zeker niet, wanhoop niet. Alleen dien je dan wel een andere weg af te leggen. Niet slechter, misschien zelfs beter. Want patsboem er boven op daar weet je het ook niet van. Je kan zomaar met een enorme power, wilskracht en doorzettingsvermogen de verkeerde kant oprennen.

Die andere weg is de weg van zelfonderzoek. En die begint met het zinnetje: “Ik heb er eigenlijk geen zin in”. Dat is het signaal, het startpunt. “Geen zin hebben? Mooi, laten we daar eens even goed naar kijken” Zelfonderzoek dus. En dat is niets anders dan jezelf vragen stellen, de interne dialoog als het ware: waarom heb ik weerstand? Waar ben ik bang voor? Wat kan er mis gaan? Waarom is het de moeite waard om het op te lossen? Wat betekent het niet oplossen? Hoe kan ik verder leven zonder het te hebben opgelost? Kan ik iets anders bedenken wat makkelijker gaat? Wat is de kleinste eerste stap die ik kan nemen? Wat heb ik er voor nodig? (en van wie?)

Uiteindelijk mondt deze interne dialoog, met vragen en antwoorden, uit in het finale antwoord: je weet precies wat je te doen staat (in ieder geval voor de eerste kleine stap), je staat er ook helemaal achter, want het is helder en overzichtelijk geworden. De stap naar doen is dan klein. Als er iemand in de buurt is die je nog dat hele kleine duwtje kan geven is dat prettig.

DE DAG DAT IEMAND IN JE GELOOFT

Ik heb ontzettende mazzel gehad. Het grootste gedeelte van mijn leven heb ik leuk werk gedaan. 40 van de 50 werk jaren. Ik begon met werken op mijn 17de. Misschien was de mazzel wel dat ik nog niks kon en nergens voor was opgeleid. Het moest dus met vallen en opstaan. De eerste 10 jaar waren ook een drama. Veel verschillende baantjes, paar maal ontslagen. Ik begon als loopjongen in de reclame, advertenties naar de dagbladen en tijdschriften brengen. Dat deed men toen nog. Af en toe mocht ik wat meer. Maar ik was lui en slordig. En werd derhalve ook nog weleens weggestuurd. Via wat omwegen als verzekeringen huis aan huis proberen te slijten, meubels verkopen en uitzendkrachten aan de man brengen, kwam ik weer terug in de reclame. Overigens was ik ook niet beestachtig goed in dat verkopen, maar het was wel erg leerzaam. In de reclame dus, bij goed bureau van een hoger, zelfs zeer hoog niveau. Met allemaal intelligente en slimme mensen. Ik voelde me wel een lulletje daar tussen. Ik had me er in geluld. De juiste dingen gezegd. En… ik sprak netjes, had een aardige woordenschat, was goed opgevoed, goede sportclubs, goede manieren, goede scholen, al had ik ze niet afgemaakt. Ik leek heel wat, als het ware.

Via wat omwegen als verzekeringen huis aan huis proberen te slijten, meubels verkopen en uitzendkrachten aan de man brengen, kwam ik weer terug in de reclame.

 

Een spannende periode. Ik moest dingen doen die ik nog helemaal niet kon. Probleemanalyses maken, oplossingen bedenken, daar weer rapporten over schrijven en deze presenteren. Nooit geleerd, nooit gedaan. Qua schrijven kon ik nog geen drie regels onder elkaar krijgen. Maar het was nog om iets anders een spannende periode. Mijn tweede kind zou geboren worden, ik was 25, en ik mocht gewoon niet meer ontslagen worden. Er moest geld op de plank blijven.

Ik werd niet ontslagen. Niet dat mijn beoordelingen allemaal zo goed waren, er was best wat op aan te merken, maar kennelijk zagen ze ook iets interessants, al waren er ook bedenkingen. Ik zag dat zelf nog niet zo. Na een paar jaar kreeg ik van een ander bureau een aanbod. Ik werd gevraagd. Voor het eerst. Ik besloot dat aanbod aan te nemen. Iets meer salaris, maar belangrijker was de schone lei waar ik mee kon beginnen. Nog geen bedenkingen. Hier ging het van meet af aan veel beter. Wat uiteraard met zelfvertrouwen te maken had. Je komt binnen op een betere positie, je snapt meer hoe het werkt en je weet meer. Maar mijn schroom had ik nog niet helemaal van me afgeschud. Ik voelde me nog vaak minder dan al die goed opgeleide mensen. Ook al vonden zij dat niet.

In die tijd werkte ik vaak samen met een, door het hele reclamevak als briljante man beschouwd. We konden goed praten en hadden een aardige klik. Een man waar je wat van kon leren, waar ik tegen op keek. Op een dag kwam hij naar me toe: “Hé Jan Peter. Je bent echt heel goed. D’r staat echt iemand. Heel overtuigend”. De laatste schroom viel van me af. Als hij dat zegt dan is dat zo. Pleasen was niet zo zijn ding. Mijn werkleven, en misschien wel mijn hele leven, veranderde op slag. Ik was misschien al wie ik was, alleen wist ik dat niet. Ik kreeg vertrouwen in mezelf. Vertrouwen dat vanaf dat moment ook snel en sterk groeide. Ik gun iedereen zo’n man. En man die in je gelooft en dat ook zegt. Er zijn er niet veel van. Ik ben hem eeuwig en nog elke dag dankbaar en zijn naam moet hier worden genoemd: Willem Gussekloo (1939-1992)

 

IEDERE MIJLPAAL BEGINT MET IETS ONBENULLIGS

Wat is dat toch dat iedereen, nou ja iedereen, steeds maar het verschil wil maken. Groots en meeslepend wil leven. Wat is er gebeurd, dat we dat zijn gaan willen. En gewoon meedoen niet meer goed genoeg werd. Gewoon zijn ook niet. Bijzonderder willen we worden, onderscheidener. Verschillend. Het verschil maken, dus.

Wat een klus en waarom? Om iets na te laten aan de wereld? Om belangrijk te zijn? Om je veilig te kunnen voelen? Geaccepteerd? Is dat wat die enorme klus uiteindelijk moet opleveren? En nog een vraag: heb je dat helemaal zelf bedacht of is het je aangeleerd? Is je aangeleerd dat als je het verschil niet maakt of op z’n minst wil maken, je niet meedoet? Je er niet toe doet?

Kortom een groot deel van ons leven zijn we bezig het verschil te maken. Erbij te horen en er te toe doen.

Kortom een groot deel van ons leven zijn we bezig het verschil te maken. Erbij te horen en er te toe doen. Nu gaat het er hier  (vandaag dan) niet om of dit goed of slecht is, het is namelijk wat het nu is 🙂 Wel belangrijk is bewust te zijn dat dit ‘verschil willen maken’ behoorlijk obsessief kan zijn, zo erg dat je een drie essentiële zaken uit het oog verliest. Ten eerste: om echt iets te presteren heb je rust en overzicht nodig. We gaan het er nog vaker over hebben, geloof me, in rust ben je creatiever, zie je meer, sta je meer open, zie je beter wat je te doen staat. En ten tweede: de kans op de double jeopardy. Zorg ervoor dat de weg naar je doel leuk is. Als je het niet haalt, was de weg tenminste leuk. In plaats van niet gehaald en verschrikkelijk pad. Double jeopardy. Tweemaal de klos.

En drie: Een prachtig eindresultaat begint klein. Niet groot en meeslepend. Niet fantastisch. Gewoon klein, vaak met iets onbenulligs. Ik denk, ik ben er niet bij geweest, maar dat meneer Philips met zijn gloeilamp, meneer Ford met zijn T Ford en meneer Jobs met zijn computer helemaal niet zo bezig waren met het ‘verschil maken’. Ze waren gewoon bezig, in hun ogen zeker met iets goeds, waarvan later bleek dat het verschil maakte.

Het lijkt me duidelijk, ik adviseer een andere aanpak. Eentje die bestaat uit twee simpele opvattingen: maak het proces leuk – anders houd je het niet vol en als het allemaal mislukt heb je toch nog iets leuks gedaan – en begin met iets onbenulligs. Dit laatste is echt heel verstandig, het kan dan alleen maar mooier en beter worden.

Kijk even wat je nu, vandaag, gedaan hebt. Misschien heb je, heel onbenullig soep gemaakt. Maak er morgen weer een, een andere. Overmorgen weer een. Verdiep je er in*. Experimenteer. Of misschien heb je vandaag terwijl je aan het bellen was kubusjes, hokjes getekend en gearceerd. Hoe onbenullig. Of niet. Misschien zit er wel een kastontwerp in, of een gordijnpatroon. Ik bedoel maar, hoe onbenullig kan je het hebben? Als je in onbenullige dingen – ja kijk als je een wereldschokkend idee hebt dan is dat andere koek, maar wie heeft dat nou nog? – wat tijd, energie, liefde stopt, zal je zien dat er langzaam, geduld is hier een schone zaak, iets gaat ontstaan. En weet, veel zaken ‘mislukken’ niet omdat ze slecht waren, maar omdat ze voortijdig werd opgegeven. Je moet wel even volhouden. Leg de lat laag, dan spring je er makkelijker overheen. En hoef je ook niet meteen de allerbeste hoogspringschoenen te kopen. Die komen wel als je een beetje in de buurt van het ‘verschil’ bent gekomen.

*Over vakmanschap een andere keer weer.

Older Entries
Bestellen?
© 2019 Jan Peter van Doorn
Privacy policy
Schrijf je in voor de nieuwsbrief: